Hoofdstuk I. Inleiding
1. Inleiding
Bij de uitvoering van de milieuwetgeving heeft het accent lange tijd gelegen op de vergunningverlening. Aan onafhankelijke controle en handhaving is in het verleden weinig of geen aandacht besteed. Daarin is in 1976 verandering in gekomen.
In 1976 is een interdepartementaal overleg inzake de handhaving van het milieurecht gestart, De Minister van Justitie heeft vervolgens een rapport uitgebracht over de coördinatie bij de opsporing van milieudelicten en aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken 1976‑1977, 14315).
Het rapport stelt vast dat een groot aantal instanties is belast met de handhaving van het milieurecht, de opsporing van milieudelicten en met het toezicht op de naleving van milieuwetten. Het gevolg daarvan is dat er een behoorlijke versnippering van de opsporing en handhaving is te constateren. Van een behoorlijke georganiseerde opsporing van milieucriminaliteit kan niet worden gesproken.
Bij de gespecialiseerde controlediensten is een grote hoeveelheid deskundigheid en
ervaring voorhanden. Ook kan zo'n dienst terugvallen op het orgaan, waarvan het deel
uitmaakt, voor technische hulpmiddelen en gespecialiseerde deskundigen.
Daarnaast bestaan de controlerende ambtenaren van de lagere overheid, die doorgaans het best met de plaatselijke situatie vertrouwd zijn.
Uit het rapport volgt dat er in de komende jaren alles aan moet worden gedaan om de
krachten te bundelen en de samenwerking tussen de verschillende diensten en organen te
stimuleren om op die manier een effectief opsporingsbeleid voor milieudelicten tot stand te brengen. Hierbij neemt het Openbaar Ministerie bij de strafrechtelijke handhaving een
centrale plaats in. Bij elk arrondissementsparket bestaat een milieu‑afdeling.
Onder het bestuur van Winsemius, als minister van VROM, is men aandacht gaan besteden aan de samenhang tussen wetgeving en handhaving, via de zogenoemde reguleringsketen, die in het Plan Integratie Milieubeleid (PIM) werd geïntroduceerd.
Dit heeft geleid tot een intensievere uitvoering van de wetgeving en tot plannen ter intensivering van de handhaving (IMP-milieubeheer 1985 - 1989, 18602, nrs. 1 - 2).
De elementen van deze reguleringsketen zijn achtereenvolgens van de vroegere Minister van VROM, Winsemius, zijn:
- wet- en regelgeving.
- normstelling,
- vergunningverlening,
- uitvoering,
- handhaving.
Ten aanzien van de reguleringsketen het volgende. Op de eerste plaats is de milieuwetgeving nog van jonge datum (+ 20 jaar) en bijgevolg nog niet geheel uitgekristalliseerd; we hebben dus steeds te maken met veranderingen en aanvullingen van die regelgeving, mede op grond van regelgeving van de Europese Unie (voorheen Europese Gemeenschap).
Ook de milieukwaliteitseisen (normen)zijn van nog jonge datum (invoering 1 maart 1993, de Wet Milieubeheer).
De vergunningen zijn bijgevolg ook niet altijd van een kwaliteit, die noodzakelijk vereist is om uitvoering en handhaving optimaal mogelijk te maken. Zo zijn in veel oudere vergunningen voorschriften opgenomen, die niet te controleren, laat staan te handhaven zijn.
Daarnaast hebben we ook te maken met de interpretatie van vage begrippen in de wet- en regelgeving door de rechter, waardoor er via de rechterlijke uitspraken, de jurisprudentie, een afbakening plaatsvindt met betrekking tot de inhoud van deze begrippen.
Zoals uit het vorenstaande is op te maken, zitten er nogal wat zwakke schakels in de
reguleringsketen en de zwakste schakel bepaalt nog steeds de sterkte van de gehele keten.
Handhaving wordt in de Notitie Handhaving Milieubeleid (uit 1980) omschreven als "Het door controle en het toepassen (of dreigen daarmee) van administratiefrechtelijke, strafrechtelijke of civielrechtelijke middelen, trachten te bereiken dat de algemeen en individueel geldende rechtsregels en voorschriften worden nageleefd".
Met betrekking tot handhaving eerst een aantal opmerkingen. Handhaving neemt een belangrijke plaats in bij het aanpakken van de milieuproblemen. We hebben al eerder gezien (zie module Bestuur en milieu) dat milieuproblemen in feite te wijten zijn aan menselijk handelen en dat de overheid door sturing van het menselijk gedrag deze problematiek kan aanpakken.
Daarom heeft handhaving, in casu controle op en correctie van gedrag, door middel van wet- en regelgeving met betrekking tot het milieu in toenemende mate de belangstelling van de overheden op de verschillende bestuursniveaus.
Zoals duidelijk moge zijn heeft handhaving ten doel het voorkomen (preventief) en eventueel het corrigeren (repressief) van situaties die in strijd zijn met de milieuwet- en regelgeving:
Preventieve handhaving is brongericht, dit betekent:
- controle op de aanwezigheid van de vereiste vergunningen,
- controle op naleving van vergunning en de daaraan verbonden voorschriften.
Repressieve handhaving daarentegen is meer effectgericht en zal dus toepasbaar zijn in geval de overtreding plaatsvindt of reeds heeft plaatsgevonden. De repressieve handhaving is dus tevens gericht op het opsporen van feiten en gedragingen die strafbaar zijn, dus milieuovertredingen en milieumisdrijven.
Theoretisch gezien zou je verwachten dat het goed mogelijk is de naleving van wet- en regelgeving af te dwingen. Toch zijn er nog een aantal knelpunten te constateren:
1. te grote versnippering van de regelgeving,
2. het gedogen van het ontbreken van vergunningen,
3. de inhoud van de vergunningen laat vaak veel te wensen over,
4. niet altijd is duidelijk wie in een bepaald geval moet handhaven,
5. het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie is niet altijd even duidelijk,
6. het toepassen van de handhavingmiddelen is vaak problematisch.
Behalve de hiervoor genoemde knelpunten is er nog de verscheidenheid aan handhavende
instanties. Er zijn er vele in Nederland, die tot voor korte tijd onderling geen of slechts zeer oppervlakkig contact met elkaar hadden. Hier noemen we slechts Milieurecherche, Algemene inspectiedienst (AID), Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD),
Arbeidsinspectie, en vele anderen.
Op een of andere manier hebben ze allemaal wat met het milieu te maken. Zij zullen nog nader worden besproken.
Naast de vele handhavers zijn er ook nog eens verschillende manieren van handhaving. De handhaving kunnen we onderscheiden in:
1. De strafrechtelijke handhaving.
2. De civielrechtelijke handhaving.
3. De administratiefrechtelijke handhaving.
In de volgende hoofdstukken worden deze onderscheiden typen van handhaving uitgewerkt.
2. Begrippen
We komen de volgende belangrijke begrippen tegen in dit hoofdstuk:
-- handhaving,
-- controle,
-- toezicht,
-- opsporing,
-- preventieve handhaving,
-- repressieve handhaving,
-- bestuursrechtelijke handhaving,
-- strafrechtelijke handhaving.
Sommige van deze begrippen hebben nagenoeg dezelfde betekenis.
Overeenkomstig het gebruik in een aantal Rijksnota's wordt onder handhaving verstaan het afdwingen van de naleving van de wet- en regelgeving, door middel van controle. Onder controle verstaan we het geheel van toezicht en opsporing. Opsporing en toezicht zijn twee verschillende middelen om de naleving van de wet- en regelgeving af te dwingen.
Opsporing en toezicht worden dan ook door verschillende personen uitgeoefend. We spreken dan ook van toezichthoudende ambtenaren en opsporingsambtenaren. Deze hebben verschillende bevoegdheden (waarover later meer).
Van toezicht spreken we in geval van preventieve handhaving. Het houdt in dat er actief toezicht wordt gehouden op de naleving van de regels zonder dat dit gebeurt met het oog op concrete gevallen, waarin het vermoeden bestaat dat de wet en/of regelgeving is overtreden.
Toezichthoudende bevoegdheden kunnen dan ook toegepast ten opzichte van allen tot wie de betrokken wettelijke voorschriften zijn gericht, zonder enig concrete verdenking.
Daarnaast hebben toezichthoudende ambtenaren ook een voorlichtende en adviserende taak ten aanzien van de naleving van de regels.
Van de bezoeken van toezichthoudende ambtenaren aan bedrijven gaat ook een grote preventieve werking uit en dit draagt ertoe bij dat regels en/of voorschriften beter worden nageleefd.
Opsporing, met inbegrip van vervolging, noemen we de repressieve handhaving.
In geval van overtredingen kan handhaving plaats vinden door middel van bestuurlijk en/of strafrechtelijk optreden. De bestuurlijke autoriteiten (provincie, gemeente, waterschap) kunnen daarbij gebruik maken van bestuursrechtelijke middelen of eventueel privaatrechtelijke middelen.
De strafrechtelijke handhavingautoriteiten (Openbaar Ministerie, strafrechter) maken gebruik van de strafrechtelijke handhavingmiddelen.
Er is een duidelijk verschil tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke handhaving. De bestuursrechtelijke optreden heeft in de regel tot doel dat aan de illegale toestand een einde wordt gemaakt.
De strafrechtelijke handhaving daarentegen maakt de gevolgen van de overtreding (de illegale toestand) meestal niet ongedaan. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen toezicht, opsporing en gerechtelijke vervolging. In dit geval is wettelijk vereist dat er sprake moet zijn van een redelijk vermoeden. De opsporing moet dan het bewijsmateriaal aandragen dat nodig is voor een sluitende bewijsvoering en daarmee succesvolle vervolging.
3. Plaats van de handhaving
We moeten allereerst de plaats van het handhaven bekijken in het geheel van de milieuwetgeving, met andere woorden "Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om met succes te kunnen handhaven?"
In de volgende paragraaf zullen we eerst de noodzakelijke voorwaarden voor handhaving bekijken. Daarna zullen we in de volgende hoofdstukken ingaan op de verschillende wijzen van handhaven en er zal ook worden gekeken naar de eventuele samenloop van de verschillende regelingen.
3.1. Voorwaarden voor handhaving
Afhankelijk van de doelstellingen voor het beleid ten aanzien van een bepaald milieuprobleem zal er een wet worden opgesteld of zal regelgeving worden gemaakt om het beleid ten aanzien van dat bepaalde milieuprobleem te realiseren.
Deze wet- en regelgeving mag geen mazen vertonen, anders gaat het al fout bij de eerste schakel van de keten waardoor ook de rest van de keten een zwak geheel oplevert.
Een "mooi" voorbeeld hiervan was het "Besluit gebruik dierlijke meststoffen", waarin een uitrijdregeling van dierlijke meststoffen was opgenomen. Deze moest bijgesteld worden toen bleek dat deze meststoffen stilstaand werden uitgereden, met andere woorden werden gedumpt, hetgeen niet de bedoeling was.
Daarnaast zullen in wet en/of regelgeving normen moeten worden gegeven. Deze wettelijke normen moeten door het gezag, dat bevoegd is de vergunning te verlenen, in de af te geven vergunningen worden opgenomen. Daarbij moeten deze normen op een dusdanige wijze in de vergunningvoorschriften worden opgenomen dat zij controleerbaar zijn. Als aan al deze voorwaarden is voldaan dan kan pas worden gehandhaafd. Vooral van de wijze van normstelling hangt veel af. De normen moeten concreet zijn, dat wil zeggen ze moeten precies aangeven wat toegestaan is en een afwijking van de norm moet duidelijk zijn vast te stellen.
Een voorbeeld van een niet controleerbare norm is bijvoorbeeld het volgende vergunningvoorschrift: " Per jaar mag 5000 liter van stof X geloosd worden op het nabij gelegen oppervlaktewater".
Beter zou zijn: "Per uur mag worden geloosd 5 liter vloeistof, met een concentratie van 0,05 mol. stof X per liter, waarbij de concentratie in het benoemde oppervlaktewater de grens van 0,09 mol per liter niet mag worden overschreden".
Een derde voorwaarde voor een goede handhaving is het toekennen van voldoende en juiste bevoegdheden voor de handhaver. Zonder voldoende bevoegdheden kan wel worden geconstateerd dat er een norm wordt geschonden, maar kan de handhaver verder niet veel uitrichten.
Een vierde voorwaarde is dat duidelijk moet zijn wie in een bepaald geval als eerste instantie in aanmerking komt om te handhaven. Daarbij speelt de vraag welk type handhaving is in het betrokken geval van toepassing. Of kunnen er misschien meerdere typen handhaving naast en door elkaar worden gebruikt om de milieudelicten te bestrijden?
Daarbij is ook nog van belang de rechtsbescherming voor de burger tegen de optredende handhaver, die misbruik maakt van zijn bevoegdheden. Ook dit zal in dit dictaat ter sprake komen.